Ontbijt met de baas

Algemeen

hbvl_ontbijtmetdebaas_marc

01.

Ontbijt met de baas.

"Het duurt nog jaar of tien voor mensen in onze units willen wonen."

Employee

Marc Warson

Gedelegeerd bestuurder

hbvl_ontbijtmetdebaas_warson_aannemers

Overgrootvader Warson had in de jaren dertig al een bouwbedrijf, met vrachtwagen én telefoon. Vandaag bouwt Marc Warson in Zutendaal duizend units – “zeg nooit containers” – per jaar waar we in werken, waar onze kinderen in naar school gaan en waar we in de toekomst misschien wel in gaan wonen.

bron HBvL:
https://www.hbvl.be/ontbijtmetdebaas

Wanneer we onderweg zijn naar het ontbijt met Marc Warson opent het ochtendnieuws op de radio met een nieuw akkoord binnen de federale regering over extra opvangplaatsen voor asielzoekers. Er zullen 700 mensen tijdelijk in containers gaan wonen. Of de telefoon bij Warsco dan rinkelt, is dus onze eerste vraag voor Marc Warson. “Dat wel, maar we kunnen op dit moment niet veel helpen. Onze productiecapaciteit voor nieuwe units in Zutendaal zit al een paar jaar helemaal vol. Hetzelfde gold voor de aardbeving in Turkije of na de overstromingen in Wallonië. Toen kwam de vraag om 750 stuks te leveren om de economie weer op te starten. De plaatselijke bakkers en slagers konden dan weer verkopen vanuit onze units. Er zijn er uiteindelijk wel maar 50 geleverd. Het nooddorp voor Oekraïense vluchtelingen in Mechelen hebben we wel gebouwd.”

“Eerlijk gezegd, het woord container horen we niet zo graag, we bouwen units”

Employee

Marc Warson

De obligate tas koffie bij het ontbijt ontbreekt bij Warson. Hij houdt het bij een glas water. Niet toevallig, zo blijkt. “Ik drink nooit koffie en nooit alcohol. Gewoon omdat ik het niet lekker vind. Op een receptie zal ik voor de vorm wel eens van een glaasje champagne nippen, maar niet meer. Toen ik vroeger volleybalde, werd er na een overwinning altijd een plateau bier binnengebracht. Dan dronk ik een halve pint tegen de dorst en gaf ik de rest door.”

U hebt zelfs op hoog niveau volleybal gespeeld?

“Inderdaad. Dat was in de tijd dat er zeven Limburgse clubs in eredivisie speelden. In de schoolploeg van Maaseik speelde ik samen met Vital Heynen. Mijn club was Maasmechelen. Vital heeft daar ook één jaar gespeeld. Ik was toen tweede spelverdeler na hem en ben dat seizoen niet veel van de bank gekomen.” (lacht)

Telefoon in de jaren 30

Wanneer we beginnen over de oorsprong van het bedrijf, haalt Warson zijn smartphone boven en toont hij een vergeelde foto. Vier mannen in werkplunje kijken stoer in de lens. Op de vrachtwagen lezen we H. Warson&Zn. “Het bedrijf van mijn overgrootvader in Opgrimbie”, legt Warson uit. “Hij had een bouwbedrijf met vrachtwagen én telefoon, en dat in de jaren dertig. Mijn grootvader werkte mee in de zaak met zijn drie broers, maar is dan voor zichzelf begonnen. Mijn vader was de jongste zoon in een hele rij. Toen hij in het bedrijf moest beginnen, waren de meeste posities bezet. Hij is dan eind jaren zestig gestart met de verkoop van machines voor de bouw. Hij reed de werven gewoon af om ze te verkopen vanuit zijn koffer. Hij zag dan overal werfcontainers staan en is die dan vanuit Duitsland gaan invoeren. In 1979 is hij dan zelf met de productie begonnen in Zutendaal. Toen is de naam Warsco ontstaan. Die staat eigenlijk voor ‘Warson Constructie’, maar de mensen maken er meestal ‘Warson Containers’ van. Eerlijk gezegd, het woord container horen we niet zo graag, we bouwen units.”

U bent van jongs af aan mee in het bedrijf gestapt?

“In 1993, nadat ik was afgestudeerd als bachelor Boekhouden en Bank en Financiewezen. Ik heb behalve een stage bij Ebema nooit ergens anders gewerkt. Ik heb alle geledingen doorlopen. Tijdens het jaar dat ik met de vrachtwagen heb gereden, heb ik nog het meest geleerd. Mijn broer Steven, die acht jaar jonger is, is er later bijgekomen. Ik heb hem in 2010 dan uitgekocht. De familie heeft altijd een traditie gehad om te snoeien aan de boom, om de structuur niet te breed te laten worden. Ik heb toen ook geïnvesteerd in een nieuw bedrijfsterrein in Genk, omdat de locatie in Zutendaal te klein werd voor de stockage van de units. Ik heb in Genk een terrein van zeven hectare gekocht en nu loopt de aanvraag voor een bouwvergunning voor een aanpalend stuk van 3,5 hectare. Mijn broer heeft nu trouwens ook een eigen bedrijf dat toebehoren voor de bouwsector maakt. Mijn vader is intussen 77, maar hij staat ons nog altijd bij met goede raad.”

Denkt u ook aan uitbreiding van de productiecapaciteit?

“Onze volledig geautomatiseerde machines draaien nu 24 uur op 24. We bouwen natuurlijk een groot 3D-product dat veel ruimte in beslag neemt, wat het transport ervan duur maakt. Daarom zijn we nu aan het schakelen om gedeeltelijk over te stappen naar de productie van pakketten, die je ter plekke opbouwt. Eigenlijk de Warsco-versie van de IKEA-kast. Dus echt met losse onderdelen. We zijn ongeveer tien jaar geleden al begonnen met de ontwikkeling ervan en naderen nu het moment dat we echt kunnen gaan commercialiseren. Dan kunnen we ook verder transporteren en dus exporteren. Nu zetten we alle units nog zelf in elkaar in Zutendaal. We werken met lengtes van drie en vier meter waarmee je modulair alle afmetingen kunt bouwen.”

Wie zijn de belangrijkste klanten van Warsco?

“Uiteraard nog altijd de aannemers voor de inrichting van hun bouwwerven. Onze grootste klant is Jan De Nul, de bouwafdeling van de baggeraar. Zij zijn bijvoorbeeld bezig met de uitbouw van de luchtmachtbasis van Florennes voor de komst van de F-35. We doen ook heel veel scholen. Sinds de opstart in 1979 hebben we ruim 28.000 units geproduceerd. Ongeveer 5.000 daarvan zijn gebruikt voor klaslokalen. Je hebt drie units nodig voor een klas. Dus dat zijn bijna 1.700 klassen. Aan gemiddeld 24 kinderen per klas. Dat betekent dat er dagelijks meer dan 40.000 kinderen in een klaslokaal van ons zitten. We bouwen ook afdelingen voor ziekenhuizen, voor crèches. Ik zeg soms: als je nooit in een Warsco-unit geweest bent, heb je niet in Vlaanderen geleefd (lacht). Vandaag zetten we ook fel in op de petrochemische sector. Die hebben soms op korte tijd heel veel werkruimte nodig bij werken aan hun grote installaties. Ze hebben ook altijd heel hoge eisen qua veiligheid. Afgelopen maanden hebben we een project gedaan voor de petrochemie in Keulen. Dat was voor ons de eerste keer dat we met zoveel units de Duitse grens overstaken. Voor een aannemer is 50 units al veel, honderd units vormen al een aardige school, maar zo een project in de petrochemische sector gaat dan om honderden units tegelijk voor verschillende maanden.”

Jullie hebben op een bepaald moment ook ingezet op units om in te wonen, onder de merknaam Cocon. Hoe staat het daarmee?

“Ik ben er zeker van dat er ooit een moment gaat komen dat mensen gaan wonen zoals wij bouwen. Vlaanderen is er nu misschien nog niet klaar voor, maar in Nederland zie je het wel al opduiken. Je produceert de elementen voor de woning dus gewoon in een fabriek. Dat gaat over duurzaamheid en hergebruik. Wij doen al veertig jaar eigenlijk niets anders. We plaatsen ergens een product en na verloop van tijd laden we dat weer op en zetten we het ergens anders neer. We doen dat voor aannemers, voor scholen. Dus waarom niet voor woningen? We hebben een perfect uitgebouwd voorbeeld gemaakt, helemaal high end. Heel huiselijk, met een woonoppervlakte van twaalf bij vier meter, maar altijd uitbreidbaar. We hebben onze Cocon voor het eerst getoond tijdens een Open Bedrijvendag. Er stond voordien een artikel over in Het Belang van Limburg, dus er was enorm veel interesse. We hadden het hoogste aantal bezoekers van heel Limburg, ruim 3.000 mensen zijn door de Cocon gewandeld. En raadt eens hoeveel we er toen verkocht hebben? Nul! Het duurt waarschijnlijk nog een jaar of tien voor het principe bij ons ingeburgerd is. Het concept is waarschijnlijk nog te duur. Je begint toch vanaf 100.000 euro. Dat is voor een particulier al veel geld. Voor iets wat misschien maar tijdelijk is. En we zitten in België toch ook nog altijd met de klassieke baksteen in onze maag. Dat ze EPB-conform moeten zijn maakt de woonunits ook niet goedkoper. Denk maar aan ventilatie, isolatie, warmtepompen… Er zijn nochtans opportuniteiten genoeg. Wat als je verouderde sociale woningen nu eens zou vervangen door modulaire gebouwen in plaats van een moeilijke en dure renovatie te doen? Je plaatst ze, en als ze niet meer nodig zijn, neem je ze ook weer weg. Snel, flexibel en herbruikbaar dus.”

U woont hier zelf natuurlijk ook niet bepaald in een wooncontainer?

“Nu niet meer, maar vroeger wel. Toen we trouwden hebben mijn vrouw en ik eerst in de conciërgewoning van de fabriek gewoond. In units. We hadden een stuk bouwgrond liggen in Dilsen. Toen mijn vrouw zwanger was, hadden we geen tijd meer om klassiek te bouwen en hebben we er een volwaardige woning met units laten zetten. We hebben echt een huis van twee verdiepingen uit negen units gebouwd, maar er wel een baksteen rond gezet en een traditioneel dak op gelegd. Het is al bijna dertig jaar geleden, dus nu mag ik wel vertellen hoe we het gedaan hebben. Het waren units van vier meter breed, maar we hadden geen vergunning voor uitzonderlijk vervoer. Dus we hebben ze in het holst van de nacht van Zutendaal naar Dilsen vervoerd en er onderweg nog paaltjes voor uit de grond moeten halen, langs een smalle weg in de buurt van de Ford. (lacht) In de namiddag was mijn huis klaar. Dat was toen ook al perfect geïsoleerd zodat we nauwelijks stookolie verbruikten. Mijn vrouw is afkomstig van Genk en toen we hier op de Bret een stuk grond hebben kunnen kopen, hebben we het huis in Dilsen verkocht.”

Wie zijn de concurrenten van Warsco?

“Die komen voornamelijk vanuit Oost-Europa, waar toch aan lagere lonen gewerkt wordt. Dus moeten wij zorgen dat we een beter product maken. Ik zou ginds ook goedkoper kunnen gaan produceren. Als we met onze bouwpakketten beginnen, zou ik er binnen een aantal maanden aan het draaien zijn. Maar ik heb mijn principes. Ik wil de werkgelegenheid hier houden, zolang het lukt. In Vlaanderen zijn we sowieso de grootste unitbouwer, maar in Nederland en Duitsland zijn er ook nog veel grotere spelers op de markt.”

Hoe zijn de containers geëvolueerd in de veertig jaar dat het bedrijf bestaat?

“Ze zien er nog hetzelfde uit, maar zijn enorm veranderd qua isolatie, ventilatie, verwarming en koeling. Om nog volk aan te trekken in de bouw, moet je als aannemer ook voor het nodige comfort zorgen tegenwoordig. Voor scholen is de akoestiek dan weer belangrijker. Voor het project ‘Scholen van Morgen’ hebben we zestig scholen gebouwd, die nu eigenlijk rondreizen in Vlaanderen en geplaatst worden waar er nood is. Vooral omdat er in Antwerpen en Brussel te weinig ruimte was. Dat is efficiënt, waar het voor bedoeld is. Je bouwt ze en je plaatst ze waar ze op dat moment nodig zijn voor een aantal jaren. En dan weer op naar de volgende locatie. Wij zetten in de vakantieperiode dan in een paar weken tijd een volledige school op; van Genk tot Oostende.”

Plaatsen jullie ook nog units op grote evenementen?

“Grote festivals als Pukkelop of Werchter doen we niet. Dat is maar voor een paar weken en wij mikken liever op langere periodes. Een opkomende sector is wel de fruitpluk en de tuinbouw. Dat is een cyclus geworden. Eerst naar het noorden voor de asperges, dan naar Haspengouw…”

U doet zowel de verkoop als de verhuur van units. Hoe is de verhouding?

“We hebben een huurvloot van ongeveer 4.000 units in België en ongeveer 1.000 in onze vestiging in het Nederlandse Ravenstein. De rest is voor de verkoop. Als we dit jaar nog vragen krijgen, moeten we onze klanten trouwens ontgoochelen omdat we bezig zijn met een immens project in de haven van Antwerpen. We hebben een productiecapaciteit van 1.000 units per jaar, maar voor de werf van Project One van Ineos alleen al moeten we er 1.500 bouwen. Dat is ons grootste project ooit. De bouw van de ethaankraker zou minstens drie jaar duren en ze hebben 34 gebouwen nodig. Er staan al een paar honderd units klaar om te vertrekken in Zutendaal, maar de werf heeft een beetje vertraging. Onze units zijn misschien iets duurder dan wat de markt gemiddeld vraagt, maar we bouwen kwalitatief hoogstaand. Die high end containers voor Ineos gaan we dus nog lang erna kunnen verhuren. Dat is de langetermijnvisie van een familiale onderneming. Daar zit ons businessmodel in.”

Hebt u, net als veel van uw collega’s, ook moeite om geschikt personeel te vinden?

“Onze eigenlijke productie is geautomatiseerd, dus het vuilere werk, zoals het lassen, is eruit. Alle onderdelen worden automatisch geponst en geplooid, alleen het in elkaar zetten gebeurt nog manueel. We hebben dus eigenlijk alleen nog de mooiere jobkes binnen in een hal, waarvoor je geen specifieke opleiding nodig hebt. Je moet alleen nog willen werken om bij ons te beginnen. Toch hebben we inderdaad net als iedereen problemen om mensen te vinden. Een paar weken geleden zijn er op een maandag zes mensen begonnen. Een paar dagen later waren er nog twee over. De ene was ziek, anderen hebben zich niet eens afgemeld.”

U bent intussen ook al toe aan uw tweede externe CEO. Wanneer is de klik gekomen dat dat beter was voor het bedrijf?

“De dagen waren vroeger altijd te kort voor mij. Tijdens cursussen bij VOKA, VKW en Vlerick is het besef gekomen dat ik het qua tijdsbesteding niet meer gemanaged kreeg. Mijn eerste CEO, Anneleen Van Bosch, heb ik trouwens op een van die cursussen leren kennen. Ze was advocate en is eerst twee dagen per week begonnen om onze organisatie te bekijken. Haar eerste opmerking was dat we aan ons organogram moesten werken. Dat was het laatste waar we hier mee bezig waren. We losten problemen op als ze zich stelden, allemaal op één lijn. Dus ook de heftruckbestuurder rapporteerde eigenlijk rechtstreeks aan mij. Anneleen heeft er structuur ingebracht. Intussen is zij vervangen door Philip Lewandoski. Geen familie van de voetballer (lacht). Het is eigenlijk een duobaan. We zijn niet zo goed in het aflijnen van onze job. Ik ben elke dag op het bedrijf, maar ben niet meer aanwezig op operationele vergaderingen. Terwijl vroeger een vergadering zelfs niet begon als ik een beetje te laat was. Philip is zestig. Tegen het einde van zijn carrière is de tijd voor mijn kinderen misschien wel gekomen.”

De opvolging is dus verzekerd?

“Mijn zoon Vincent heeft een master Bedrijfskunde. Nu is de afspraak wel dat ze eerst extern ervaring opdoen. Hij werkt nu bij Katoen Natie. Ik hoop dat ik hem wel terug kan binnenhalen (lacht). Mijn dochter Lauren studeert handelswetenschappen. Ik zie hen wel alle twee ooit in het bedrijf terechtkomen, ook omdat ze complementair zijn.”

De scheidingslijn tussen bedrijf en familie is dus wel heel dun?

“Klopt. Dat is bij de familie Warson altijd zo geweest. Mijn vrouw heeft vroeger bij de Voorzorg gewerkt, maar doet nu voor een stuk de human resources van het bedrijf, achter de schermen. Als je haar vraagt of het aan de keukentafel altijd over het bedrijf gaat, zal ze ja zeggen. Terwijl ik beweer dat we er nooit over praten.” (lacht)

Welk bedrijf wil u in de toekomst dan overdragen aan uw kinderen?

“Een bedrijf dat organisch groeit en het elke dag een beetje beter probeert te doen. We zijn financieel gezond en hebben geen nood aan extern kapitaal. Dus eens we ons product helemaal op orde hebben en de vernieuwingen gelanceerd zijn, kan er misschien uitgekeken worden naar een overname. Of misschien is het dan tijd voor een filiaal in Duitsland. Omdat we mikken op een mix van pakketten en volledig afgewerkte units, hoeft de capaciteit in Zutendaal niet dadelijk omhoog. Maar ik zou die pakketten in de toekomst wel willen brengen naar filialen in bijvoorbeeld Gent, Keulen of München, ze daar opbouwen en in die regio een leven laten leiden, voor verkoop en verhuur. Daar zou het overnameverhaal wel kunnen in passen. Nu proberen we het – dure - transport te beperken tot maximum 200 kilometer.”

Deel dit artikel?